Koorizon

Een koordirigent schrijft over muziek en zo

Hindemith’s “Un Cygne”

Het akkoord dat de begintonen van “Un Cygne” (het 2e koorstuk uit de “Six chansons nach Rilke” van Paul Hindemith) vormt, bestaat van onder naar boven uit de noten b-e-a-b.
Het mooie is natuurlijk, dat deze noten in de volgorde a-b-e gebruikt zijn voor de openingsmelodie van het eerste koorstuk “La Biche”. Daarmee verbindt Hindemith de eerste 2 stukken van de cyclus op organische wijze met elkaar. “Organisch” wil in dit verband zeggen: “door verwantschap van muzikale elementen”.  Iets wat Beethoven al toepaste binnen de klassiek-romantische stijl. Bij Hindemith is die verwantschap van muzikale elementen vanzelfsprekend veel ‘moderner’.
Waar de noten a-b-e in La Biche nog als melodisch patroon (‘horizontaal’) worden gebruikt, vormen ze in Un Cygne een harmonisch patroon (verticaal).

De glijdende zwaan

Un cygne avance sur l’eau entouré de lui même, comme un glissant tableau“. Dat is de eerste zin van het gedicht. In een vrije vertaling: “Een zwaan nadert over het water omhuld door zichzelf, als een glijdend beeld”.
In de eerste 5 maten ongeveer zijn alle stemmen ritmisch min of meer gelijk, met alleen wat kleine uitstapjes in de sopraan. Op elke lettergreep van de tekst verplaatsen de zangstemmen zich gelijktijdig naar een volgende toon, daarmee op elke lettergreep een nieuw akkoord vormend.  In die zich homogeen verplaatsende koorklank hoor je echt de zwaan dichterbij komen, voortglijdend op het water. Echt prachtige tekstuitbeelding, en dat is sowieso kenmerkend voor de Six chansons. Moderne, 20e eeuwse tekstuitbeelding, die met het expressionisme in het kielzog duidelijk aan diepte gewonnen heeft t.o.v. wat er in Romantiek en lang daarvoor (Renaissance) aan tekstuitbeelding mogelijk was. Rilke, de leverancier van de teksten van de 6 chansons, draagt natuurlijk erg bij aan de diepte van die tekstuitbeelding, omdat bij hem waarneming en taalbeeld direct met elkaar samenhangen. Hij is in staat om uit de waarneming gedachten te halen die niet alleen de waarneming bevestigen, maar er ook nog een intuïtieve betekenis- en begripslaag aan toevoegen. Rilke’s schrijverschap kan eventueel benoemd worden als het samengaan van een naar buiten gerichte waarnemingsactiviteit, die een naar binnen gerichte gedachtenwereld oproept.  Die 2 richtingen: van binnen naar buiten, en van buiten naar binnen bestaan gelijktijdig en bepalen voortdurend de verhouding van de waarnemer tot de buitenwereld. Hindemith beperkt zich in zijn muziek niet tot het wat prozaïsch klinkende ‘tekstuitbeelding’, maar gaat een stap verder: hij doet aan beelduitbeelding. Hij weet de poëtische beelden die de dichter oproept uit te beelden d.m.v. muziek.

Behalve de zich verplaatsende akkoorden doet Hindemith ook nog iets met het metrische patroon in de eerste 5 maten.  De eerste tel van deze maten (vooral t/m maat 4) voelt namelijk niet als een eerste tel, maar de derde tel wèl, en dat geeft een extra effect van iets dat zich verplaatst. Hindemith volgt in de muziek de accenten die bij het uitspreken van de tekst duidelijk blijken op de lettergrepen a-van-ce, entou-ré, en -me. De eerste tel van maat 1, op de lettergreep cy-(gne) plaats het onderwerp in beeld, namelijk de zwaan. Toch is het akkoord op deze lettergreep niet zo ‘zwaar’ (beaccentueerd) als de 3e tel van maat 1,2, en 3: die hebben een zwaarder accent in de muziek, en daardoor wordt de zwaan eigenlijk vanuit zijn ‘beginpositie’ (aan de rand van het poëtische beeld) dichterbij getrokken. Pas in maat 5, op de lettergreep (com-)me un (glissant), wordt de metriek van de eerste tel weer hersteld, net als in maat 6 op (ta-) bleau, waarmee de zwaan ‘vooraan’ in het beeld is aangekomen.

Een wezen waar men van houdt

Hindemith legt in de muziek nadruk op het woord “wezen” (“être” in het Frans), dat op een C-groot akkoord wordt overgebonden van maat 8 naar maat 9. Gek genoeg heb ik zelden tot nooit een uitvoering van dit stuk gehoord waarbij deze nadruk in de interpretatie wordt uitgewerkt. De meeste uitvoeringen gaan gewoon in hetzelfde tempo door, terwijl het mijn overtuiging is dat Hindemith veel belang hechtte aan dat woord “être”, en welke betekenis dat woord binnen de tekst heeft.
Wij (Morgana Kamerkoor) proberen het woord être wel uit te lichten, door de tonen op de tweede tel van maat acht even aan te houden (quasi fermate), een adem-caesuur* te nemen, waarna de tenor op de 3e tel het verloop van de muziek herneemt, zodat het woord “être”  op nieuwe adem even kan ‘fermateren’ (op de overgebonden noten, die ook nog het accent van de eerste tel weg laten vallen).

*N.B. de adem-caesuur komt voor de tenoren één achtste eerder dan voor de alten, sopranen en bassen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Informatie

Dit bericht was geplaatst op 26 mei 2010 door in dirigeren, interpretatie, kunst, muziek en getagd als , , , , .
%d bloggers liken dit: